De zaak in het kort
Partijen zijn in 2010 met elkaar getrouwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben zij huwelijkse voorwaarden opgesteld. Iedere gemeenschap van goederen werd daarin uitgesloten. Wel bevatte de akte een regeling over vergoedingsrechten.
In artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden is – samengevat – bepaald dat een echtgenoot recht heeft op vergoeding wanneer hij of zij privévermogen investeert in het vermogen van de ander. Dit vergoedingsrecht is direct opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.
In deze procedure beriep de man zich op dit artikel. Hij stelde dat hij diverse investeringen had gedaan en daarom recht had op vergoeding.
De vrouw voerde verweer. Volgens haar was sprake van een zogenoemde natuurlijke verbintenis. De man zou de investeringen – onder meer in de woning, de vakantiewoning en een beleggingsrekening – hebben gedaan vanuit een dringende morele verplichting om haar na het huwelijk verzorgd achter te laten. Als dat zo is, kunnen die prestaties niet worden teruggevorderd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank beoordeelde dit verweer aan de hand van artikel 6:3 BW. In lid 2 onder b van dat artikel staat dat sprake kan zijn van een natuurlijke verbintenis wanneer iemand een dringende morele verplichting nakomt, die volgens maatschappelijke opvattingen geldt als een prestatie waarop de ander recht had.
Daarbij is niet alleen van belang of de verplichting dringend was, maar ook of de aanspraak dat was. Of daarvan sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, zoals de financiële positie en behoeften van beide partijen. Doorslaggevend is bovendien het moment waarop de prestatie werd verricht.
De rechtbank kwam tot de conclusie dat de vrouw onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had aangevoerd om aan te nemen dat de man met zijn investeringen een natuurlijke verbintenis nakwam. Het beroep daarop slaagde dan ook niet. De man behield zijn vergoedingsrechten.
Waarom is deze uitspraak interessant?
De natuurlijke verbintenis is een bekend begrip in het burgerlijk recht, maar een succesvol beroep daarop bij vergoedingsrechten komt weinig voor. Deze uitspraak onderstreept dat de drempel hoog ligt.
Het is niet genoeg om te stellen dat er een morele verplichting bestond. Er moet duidelijk en concreet blijken dat de investering op het moment van betaling maatschappelijk werd gezien als een prestatie die de ander toekwam – en dus niet meer teruggevorderd kan worden. De uitspraak bevestigt dat rechters terughoudend zijn met het opzijzetten van (contractueel vastgelegde) vergoedingsrechten.
Praktisch advies
Voor echtgenoten (met of zonder huwelijkse voorwaarden):
- Houd er rekening mee dat een vergoedingsrecht snel ontstaat. Zodra privévermogen wordt geïnvesteerd in het vermogen van de ander of in gezamenlijk vermogen, ontstaat in beginsel een vordering.
- Besef dat een beroep op een natuurlijke verbintenis zelden slaagt. Degene die zich daarop beroept, moet zeer concrete omstandigheden kunnen aantonen waaruit blijkt dat de investering maatschappelijk werd gezien als moreel verschuldigd.
- Wees zorgvuldig bij het opstellen van huwelijkse voorwaarden. Duidelijke afspraken helpen om onduidelijkheid en conflicten bij een echtscheiding te voorkomen.
- Leg privé-investeringen goed vast. Dit voorkomt bewijsproblemen en discussies achteraf.
Tot slot
De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam maakt duidelijk dat het niet eenvoudig is om een vergoedingsrecht te laten vervallen met een beroep op een natuurlijke verbintenis. In beginsel blijft het vergoedingsrecht bestaan, tenzij zeer uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk worden gemaakt.
Of toekomstige rechtspraak dit beeld zal veranderen, valt nog te bezien. Voor nu geldt dat echtgenoten in wier vermogen door de ander wordt geïnvesteerd, bij het einde van het huwelijk rekening moeten houden met een terugbetalingsverplichting. Een beroep op een natuurlijke verbintenis zal slechts in uitzonderlijke gevallen slagen.
Chantal Lemmens




